Wat onderwijsbeleid vergeet

Er waait een gure wind door het land van onderwijsonderzoek. Zie hier een link met bezuinigingsplannen van het ministerie van OCW. En hoewel veel initiatieven zullen lijden onder deze bezuinigingen, moet ik zeggen dat ik in dit enorme woud aan projecten dacht: dat kan inderdaad anders. Toch vallen twee zaken op waarvan je je afvraagt wat de minister en staatssecretaris bezielt.

Ten eerste is het onbegrijpelijk dat de complete subsidie van OCW aan het Netherlands’ Interdisciplinary Demographic Institute (NIDI) verdwijnt. Dit is een topinstituut gelieerd aan de KNAW, met een uitermate urgente onderzoeksagenda voor de komende decennia. Het NIDI onderzoekt demografische ontwikkelingen, waarvan de vergrijzing en ontgroening wellicht de meest pregnante zijn. Het NIDI is samen met enkele andere Europese instituten toonaangevend in dit veld. Waarom zou het ministerie in vredesnaam op deze kennis willen bezuinigen? Alleen omdat OCW zelf ‘geen gebruik maakt’ van de gegevens van het NIDI, zoals ze zelf verklaart? Is dat een criterium om te bepalen of de geproduceerde kennis beleidsrelevant is? Of zijn er andere gebruikers van deze kennis? Of is zichtbaar gebruik door beleidsmakers een beperkte manier om te zien of kennis gebruikt wordt? NIDI onderzoek vindt veel navolging in Europa, onder meer via haar betrokkenheid bij door de EU gefinancierde onderzoeksprojecten. Zegt het misschien meer iets over Nederlandse ambtenaren dat de kennis niet gebruikt wordt? Beseft men dat vergrijzing een van de belangrijke thema’s is waarnaar Europees onderzoek gefinanicierd gaat worden in Horizon2020? (Het nieuwe kaderprogramma van de EU voor onderzoeksnetwerken). Werkelijk onbegrijpelijk dat men dit instituut afknijpt. In deze tijd van een streven naar wetenschappelijke excellentie zou je verwachten dat dit soort instituten juist goed wordt gepositioneerd. Dat daar andere kleine onderzoeksinitiatieven voor moeten sneuvelen, het zij zo. De broekriem enzo. Maar niet NIDI.

Ten tweede is duidelijk dat leraren gespaard worden. Leraren zijn een speerpunt in het hedendaagse onderwijsdebat. Met betere leraren komt het allemaal goed met onze kinderen. De wetenschappelijke evidentie is helder: leraren zijn zeker belangrijk voor de prestaties van kinderen. Maar voor- en vroegschoolse educatie zijn vermoedelijk nog belangrijker. En op dat vlak laat onze overheid het liggen. Het beleid ten aanzien van de kinderopvang (het woord alleen al) kan het beste omschreven worden als een trekzakbeleid: soms een beetje meer, dan een beetje minder. Maar waar de trekzakspeler bedachtzaam lucht in het instrument trekt of eruit duwt, speelt Nederlands beleid een random deuntje.

Maar de aandacht voor leraren baart me om een andere reden zorgen. De aandacht voor de kwaliteit van leraren, scholen, of buurten voor de leerprestaties van kinderen miskent dat veruit de meeste verschillen in leerprestaties te vinden zijn binnen scholen. Slechts zo’n 15 procent van de totale verschillen tussen basisschoolleerllingen is te vinden tussen scholen, en 85 % binnen scholen. En als we willen weten welke factoren deze verschillen binnen scholen verklaren, is het verstandig om te rade te gaan bij kenmerken van de ouders: in het bijzonder hun opleiding. Deze feiten suggereren dat meer leerwinst kan worden behaald door ouders op te leiden. Ouders zijn immers veel belangrijker dan schoolfactoren als de kwaliteit van het lerarencorps. Dit is niet gemakkelijk te bereiken, maar als gedachte legt het bloot dat beleid zich bijzonder sterk moet richten op het verminderen van sociale verschillen in leerprestaties. En voorschoolse educatie kan daar een belangrijke rol spelen omdat kinderen uit achterstandsmilieus daar het meeste profijt van trekken.