Cheers en Challenges voor het vmbo. Beroepsonderwijs in de 21e eeuw

Er bestaan twee verschillende beelden van het vmbo.  Allereerst is er het beeld waarin het vmbo wordt omgeven door negatieve geluiden. Afvoerputje van het Nederlandse onderwijsstelsel, omgeven door tal van sociale problemen. Stigmatiserend, leerproblemen, voortijdig schoolverlaten, geweld, spijbelen, bedreiging van leraren.  Typisch een schooltype waarvan je hoopt dat je kinderen er niet naar toe gaan. Deze impressie van het beroepsonderwijs zouden we het onderscheidingsmodel kunnen noemen. Het vmbo onderscheidt zich in negatieve zin van het havo en het vwo. Opgeleide ouders proberen hun kinderen richting het havo of vwo te bewegen omdat men zich bewust is van dit negatief-onderscheidende karakter van het vmbo.

Maar er bestaat ook een ander beeld. Het vmbo wordt ook wel als het voorportaal van een vakopleiding gezien; positieve sentimenten over de oude ambachtsschool worden vaak in één adem genoemd. Het beroepsonderwijs stelt kinderen in staat om, ook als ze niet geweldig kunnen leren in de algemene cognitieve vakken, via een beroepsopleiding waardevolle kwalificaties te behalen voor de arbeidsmarkt. Deze impressie zouden we het incorporatiemodel kunnen noemen. Het vmbo incorporeert kinderen in de samenleving, en helpt hen om voortijdig schoolverlaten te voorkómen door de aandacht te richten op beroepsrelevante vaardigheden.

Deze diverse geluiden overziend, is de vraag welk van deze beelden correct is. Is het echt zo dramatisch gesteld met het vmbo als het onderscheidingsmodel suggereert? Moeten we ons echt zorgen maken over de kinderen die op het vmbo terecht komen? Of valt er meer te zeggen voor het incorporatiemodel, met haar positieve blik op beroepsonderwijs als portaal naar een zinvolle arbeidscarrière?

Ik vrees dat de waarheid er ergens tussenin ligt. Wellicht niet precies in het midden, maar toch. Om enige richting te geven aan de vraag welk van deze modellen het meest toepasselijk is voor het vmbo, en welke lessen we kunnen trekken uit de feiten die we kennen over het vmbo, ga ik verschillende positieve en negatieve aspecten van het vmbo belichten.  Nadat ik deze ‘cheers and challenges’ heb besproken, zal ik komen tot een conclusie over de positie van het vmbo in het onderwijsbestel van vandaag en morgen.

 

Laten we beginnen met de cheers, de positieve aspecten. Allereerst is het belangrijk om te beseffen dat onze ‘onderkant’ het in vergelijking met de onderkant in ons omringende landen helemaal niet slecht doet. In de landenvergelijkende studies van TIMSS en PISA scoren onze vmbo’ers relatief gezien uitstekend. Dat is opmerkelijk, omdat dit in het geheel niet strookt met de gedachte dat het vmbo een afvoerputje is van ellende. Als we kijken naar de leerprestaties van het 25e percentiel per land, waar dus 75 procent van de leerlingen boven zitten, scoren Nederlandse leerlingen na Finland, Hong Kong en Zuid-Korea het hoogst op de PISA wiskundetoets van 2006 (zie tabel 1). De wiskundeschaal is over de landen gestandaardiseerd met gemiddelde 0 en standaarddeviatie 1. De Finse ‘onderkant’ scoort dus zelfs hoger dan het totale gemiddelde over alle landen. De Nederlandse onderkant zit 0.13 standaarddeviaties onder het gemiddelde over alle landen.

PISA2006_25thPct

Tabel 1: Wiskundeprestaties van de onderkant: 25 percentiel per land. Wiskundescore gestandaardiseerd tussen landen

België, een land waar ook vroeg wordt geselecteerd maar zonder centrale toetsing, staat 11e, Oostenrijk 17e, Duitland 23e. De zogenaamde ‘spreiding’ in leerprestaties is in Nederland bijzonder laag; de slechte leerlingen doen het relatief goed, en de goede leerlingen minder goed dan je zou verwachten. Dat laatste is overigens een grote zorg van de huidige en vorige minister, want het wijst erop dat ‘excellentie’ niet wordt aangemoedigd.

Hoe moeten de relatief goede prestaties van onze vmbo’ers verklaren? Een in mijn ogen belangrijke factor in dit geheel is het feit dat de plaatsing van leerlingen in het vmbo, havo of vwo in Nederland op basis van objectieve criteria gebeurt, en dat scholen bij de les worden gehouden door inspectie en de centrale examinering. Dit is volstrekt anders in andere landen waar vroeg wordt geselecteerd; in veel Duitse staten is bijvoorbeeld de voorkeur van de ouders veel belangrijker dan in Nederland. Ik ben daarom een sterk voorstander van gestandaardiseerde toetsen zowel in het basisonderwijs als in het voortgezet onderwijs. Het zorgt gewoon voor een eerlijkere positionering van leerlingen, en het vermindert het ‘leerverlies’ op het vmbo.

Een tweede ingang voor ‘cheers’ voor het vmbo ontstaat als we het vmbo, of beter het gehele beroepsonderwijs in Nederland, in internationale context plaatsen. Internationaal gezien is het beroepsonderwijs in Nederland sterk ontwikkeld. Het mbo en hbo zijn relatief populair vergeleken met het buitenland, en werkgevers spelen een aanzienlijke rol in de kennisverwerving van leerlingen en studenten. Onderzoek toont aan dat de jeugdwerkloosheid lager is in landen waar een meer uitgebreid beroepsonderwijs systeem bestaat, waarbij met name het duale stelsel van werkend leren voordelig is. Werkgevers moeten betrokken worden bij de inrichting van het beroepsonderwijs.

YUR

Figuur 1: de ratio van jongerenwerkloosheid ten opzichte van totale werkloosheid (bron: UNESCO, Bol & Van de Werfhorst 2013)

In figuur 1 is te zien dat de jeugdwerkloosheid, als ratio ten opzichte van de totale werkloosheid, in Nederland vrij laag is. Blijkbaar is ons onderwijssysteem in staat om leerlingen en studenten goed voor te bereiden op de arbeidsmarkt, zodat onze schoolverlaters spoedig werk vinden. Als we de grote problemen in Zuid-Europa zien, waar het beroepsonderwijs veel minder sterk is ontwikkeld, mogen we hiermee in onze handen knijpen. De Zuid-Europese werkloosheidscijfers zijn niet alleen te wijten aan de economische crisis, maar ook aan een gebrekkig beroepsonderwijs.

En niet alleen functioneert het beroepsonderwijs goed als voorportaal van werk. Tevens stelt het onze leerlingen en studenten in staat om passend werk te vinden. Juist omdat het Nederlandse systeem leerlingen in staat stelt om waardevolle kwalificaties te behalen zonder tot in het hoger onderwijs door te leren, bestaat er hier minder een zogenoemde ‘rat race’ naar de bovenkant van het systeem. In sommige landen, namelijk die met een algemeen-vormend onderwijsstelsel zoals de Verenigde Staten of Finland, wordt iedereen min of meer gedwongen om zo hoog mogelijk gekwalificeerd te raken om een baan te kunnen vinden, wat leidt tot onnodige onderwijsexpansie en de daarmee gepaard gaande diploma-inflatie. Daar moeten relatief veel mensen een baan nemen onder hun niveau. Het hebben van een baan op een lager niveau dan waarvoor men is opgeleid noemen we ‘overscholing’. In landen met een sterk beroepsonderwijs is deze tendens richting onderwijsexpansie en overscholing veel minder sterk. In figuur 2 is de mate van ‘overscholing’ afgezet tegen de omvang van het beroepsonderwijs (in Nederland: mbo), uitgerekend aan de hand van de European Social Survey 2004 in combinatie met werk van Tahlin (2007). Ook blijkt uit deze data dat,in Nederland, juist degenen met een beroepsopleiding een lagere mate van overscholing hebben; zij vinden vaak werk dat past bij hun scholingsniveau (gemiddeld aantal jaren overscholing voor vmbo’ers is 1.6, voor mbo’ers 1.8 en voor havo/vwo 2.2; deze opleidingen als hoogst voltooide opleiding).

Overschooling

Figuur 2: de mate van overscholing per land en beroepsgroep (hogere beroepen: Erikson & Goldthorpe sociale klassen I en II; middelbare beroepen: klassen III, V en VI, lagere beroepen: klasse VII).

Nu is dat wellicht allemaal interessant, maar wat is wat is de rol van het vmbo hierin? Het beroepsonderwijs, zoals in deze internationale vergelijking omschreven, betreft vooral het onderwijs op mbo-niveau, niet zozeer in het vmbo. Het vmbo levert immers geen startkwalificatie op, en kan dus niet als volwaardige eindopleiding gelden. Dat is overigens een rariteit, dat we een diploma uitreiken bij de afronding van het vmbo, maar tegelijkertijd tegen leerlingen zeggen dat ze nog niet klaar zijn.

Inderdaad, de positie van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs is minder positief.  Zelfs wanneer we hoog opgeven van een uitgebreid stelsel van beroepsonderwijs, zoals ik met betrekking tot het mbo en hbo doe, is niet automatisch gezegd dat de ‘cheers’ zich uitstrekken tot het vmbo. Het is goed is om, in het onderwijsbestel, een uitgebreid beroepsonderwijssysteem te hebben; het geeft jongeren kans op een waardevolle kwalificatie ook op lagere niveaus dan hbo of universiteit; vermindert daarmee de ‘druk naar boven’ in het onderwijssysteem, en het dient als ‘reddingsboei’ tegen schooluitval en de wereld van ongeschoold werk. Maar mijn stellige overtuiging is dat het echte vakonderwijs vooral plaats moet krijgen in de mbo’s en hbo’s van Nederland. Ook voor beroepen waarvoor men in het verleden voldoende had aan de ambachtsschool is het tegenwoordig noodzakelijk om hoger geschoold te raken. De timmerlieden en loodgieters van vandaag en morgen hebben andersoortige vaardigheden nodig dan vroeger. Op het werk zal men bijvoorbeeld vaker met computers werken, en meer te maken krijgen met Engels als spreektaal. En in een flexibele en technologisch hoogontwikkelde arbeidsmarkt is het zaak om de kennis en vaardigheden continu te verversen en verbeteren, waarvoor algemene ‘leer’-vaardigheden nodig zijn. De vooruitgang in kennis en technologie verloopt exponentieel, en vaardigheden geleerd in de tienerjaren zijn daarom eerder verouderd dan vroeger. De echte inwijding in het ambacht zou vandaag de dag daarom moeten worden voorbehouden aan het mbo, niet het vmbo.

Zo bezien is de leegloop van de beroepsgerichte leerwegen in het vmbo niet direct een maatschappelijk probleem. De uitstroom is immers ‘naar boven’; men verkrijgt meer algemeen-vormende vaardigheden die een goede basis kunnen vormen voor een beroepsopleiding. Hoewel vanuit het oogpunt van schoolorganisaties de leegloop zorgwekkend is – men krijgt immers minder leerlingen op school, met alle mogelijke consequenties van dien – is het maatschappelijk gezien minder problematisch.

De grootste zorg die ik heb is niet zozeer dat er te weinig leerlingen in de beroepsgerichte leerwegen in het vmbo terecht komen. Mijn grootste zorg is dat er, met de opstroom naar boven, te weinig leerlingen kiezen voor het mbo. Het mbo, dat een parel zou kunnen zijn van ons onderwijsbestel, waar vaklieden gemakkelijk een baan vinden zonder een wedren te bewerkstelligen naar de hogere regionen van ons bestel, moet worden gekoesterd. Het onderwijssysteem moet zo worden ingericht dat voldoende mensen voor het mbo opteren. En de eerste jaren van het voortgezet onderwijs zouden daar een grote rol in moeten spelen. Zo kan het vmbo een uitstekende periode van oriëntatie zijn, zodanig dat het leren van algemene en specifieke vaardigheden hand in hand gaan.

Dit brengt me bij de ‘challenges’, de uitdagingen van het vmbo. Het vmbo is essentieel onderdeel van het Nederlandse systeem van vroege selectie. En in landen waar relatief vroeg wordt geselecteerd, komen vooral kinderen uit lagere milieus en etnische minderheidsgroeperingen terecht op de lagere leerwegen. De reden is heel simpel: als er vroeger wordt geselecteerd hebben kinderen minder tijd gehad om te tonen wat ze waard zijn. Adviezen van de basisschool zijn aantoonbaar sociaal bevooroordeeld, zeker als het objectieve toetsen zou worden verminderd.

Hoewel afvoerputje wel erg negatief is geformuleerd, is het helder dat ook in Nederland vooral kinderen uit minder kansrijke milieus op het vmbo terecht komen. En dat is niet uitsluitend te verklaren door sociale verschillen in leerprestaties. Ongeveer een derde van de totale sociale ongelijkheid in de toegang tot vmbo, havo of vwo heeft niets te maken met verschillen in leerprestaties, maar uitsluitend met de keuzes die men maakt gegeven de leerprestaties die men heeft. Dat is nogal wat. Het betekent dat zelfs onder kinderen met dezelfde citotoetsscore, kinderen uit de middenklasse vaker naar het havo/vwo gaan dan leerlingen uit arbeidersmilieus. En een systeem dat vroeg selecteert werkt deze sociale ongelijkheid in de hand.

De recente leegloop van het vmbo belooft hiervoor niet veel goeds. Het vmbo, dat in korte tijd van 60 naar 50 % van de instroom vanuit de basisschool is gegaan, zal in toenemende mate worden vermeden door ouders met een redelijk niveau van scholing. En daarmee verergert de positie van het vmbo. De recente ontwikkeling naar avo-isering, of veralgemenisering van het beroepsonderwijs maakt dit probleem alleen maar erger. Hoewel deze avo-isering op zichzelf goed te begrijpen is vanwege de wensen op de arbeidsmarkt en de maatschappij, betekent het tevens dat het beroepsonderwijs zich nog maar op één manier onderscheidt van het havo/vwo-onderwijs: minder. Het vmbo verwordt zo tot havo-min. Het beroepsspecifieke karakter van het vmbo en het mbo wordt steeds minder onderscheidend. We zien dan ook een toename in de werkloosheidscijfers onder mbo’ers en vmbo’ers, terwijl deze tendens niet te zien is onder mensen met een havo/vwo of hogere opleiding (figuur 3). Er lijkt sprake van verdringing van lager opgeleiden door hoger opgeleiden, en verdringing wordt gemakkelijker naarmate het beroepsonderscheidende karakter van het onderwijs minder wordt.

UR_by_opl

Figuur 3: de proportie werklozen per opleidingsniveau en geboortecohort, onder 18-35 jarigen gemeten in 1991-2007. Werklozen zijn geïdentificeerd als werkloos, wel of niet zoekend naar werk, als proportie van de beroepsbevolking van dezelfde leeftijdsgroep, zijnde werklozen plus werkenden (mensen buiten de arbeidsmarkt, zoals studenten, huisvrouwen of –mannen of gepensioneerden zijn in deze analyse niet opgenomen).

 

Overigens staat de leegloop uit het vmbo niet op zichzelf – er is over de hele linie onderwijsexpansie gaande. Figuur 4 toont het hoogst gevolgde opleidingsniveau van Nederlandse mannen en vrouwen geboren tussen 1966 en 1989. In deze periode van ruim twintig jaar is het vmbo en haar voorlopers in omvang gedaald van 20 procent (als hoogst gevolgde opleiding) naar 10 procent. De expansie is vooral te zien bovenin het systeem,waar overigens vooral vrouwen van hebben geprofiteerd.

 

Expansie_kortetrend

Figuur 4: Hoogst gevolgde opleidingsniveau voor geboortecohorten 1966-1989

Overigens wordt de enorme expansie van het Nederlandse bestel nog duidelijker zichtbaar als we een langere termijn trend bekijken (figuur 5).

Expansie_langetrend

Figuur 5: Langetermijnontwikkelingen in onderwijsexpansie, geboortecohorten 1927-1989.

 

Vanuit het oogpunt van sociale ongelijkheid zouden we het systeem van vroege selectie kritisch moeten beschouwen, zeker op de rigide manier waarop dit gebeurt in Nederland. We scheiden leerlingen niet alleen voor cognitieve vakken zoals wiskunde en taal, maar voor het gehele curriculum, gedurende minstens vier jaar, en ook nog eens in aparte schoolgebouwen en schoolorganisaties. Deze extreem rigide vorm van selectie belemmert de continue evaluatie van leerlingen, en het belemmert de sociale omgang tussen leerlingen met verschillende leercapaciteiten. De extreme selectie die ons bestel kent betekent logischerwijs dat leerlingen niet alleen verschillend onderricht krijgen in de cognitieve vakken, maar ook voor vakken waarvoor het veel beter zou zijn om gezamenlijk les te krijgen, zoals maatschappijleer of gymnastiek.

Een betere oplossing is wellicht om leerlingen wel degelijk vanaf een jaar of 15 naar beroeps- of algemeen vormend onderwijs te laten doorstromen, zonder dat rare diploma op zestienjarige leeftijd, en tot die tijd leerlingen continu monitoren en in de juiste onderwijsvorm plaatsen. Die onderwijsvormen mogen nog best vmbo, havo en vwo heten, maar ze moeten niet zo rigide zijn gescheiden. Niet in aparte schoolgebouwen, niet voor alle vakken,  zodat de leerlingen van verschillende cognitieve vermogens meer met elkaar te maken krijgen. Als ik schoolleider was, zou ik proberen om de banden met andere schooltypen aan te halen.

Op die manier is het hopelijk mogelijk om de doorstroom naar mbo te bevorderen, zodat het incorporeren van de jeugd in de samenleving gestaag door kan gaan, met een vermindering van de stigmatisering en onderscheiding die aparte omgevingen nu eenmaal met zich meebrengen.

 

Deze tekst vormt de basis van een kortere openingslezing die Van de Werfhorst hield op de conferentie “De toekomst van het vmbo”, Nijkerk, 31 januari 2013

Literatuur:

Bol, Thijs, en Van de Werfhorst, Herman G. (2013). Educational Systems and the Trade-off Between Labor Market Allocation and Equality of Educational Opportunity. Comparative Education Review, in print.

Tåhlin, Michael. (2007). Skills and wages in European labour markets: Structure and change. In D. Gallie (red.), Employment Regimes and the Quality of Work (pp. 35–76). Oxford: Oxford University Press.