Lenen voor de studie: sociaal bepaald?

De huidige regering heeft het plan opgevat om de studiebeurs (een gift) te vervangen door het sociale leenstelsel. Studeren wordt hiermee duurder voor de student. Ter bestudering van de mogelijke consequenties van de beleidsmaatregel heeft het Centraal Planbureau (CPB) een notitie geschreven, waarin wordt geconcludeerd dat de prijsverhoging een lichte daling in instroom in het hoger onderwijs tot gevolg zal hebben.

Een belangrijke vraag is of de verhoging van de kosten van deelname aan het hoger onderwijs implicaties heeft voor de ‘toegankelijkheid’ van het hoger onderwijs. De toegankelijkheid heeft in dit opzicht betrekking op de vraag of de bereidheid om geld te lenen om te studeren gerelateerd is aan sociaal milieu. Als de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in het geding is, ontstaan sociale ongelijkheden die onrijmbaar zijn met een gelijke kansenideologie. Voor zover ongelijkheden in leenbereidheid bestaan, betekent dat dat niet alleen talent maar ook ouderlijke hulpbronnen van invloed zijn op de onderwijs- en beroepencarrière die men in het verschiet heeft.

Deze toegankelijkheidsvraag speelt geen enkele rol in de notitie van het CPB. En ook in een eerdere notitie uit 2003 wordt wel erg gemakkelijk betoogd dat, omdat in een sociaal leenstelsel aflossing afhankelijk is van het inkomen, de toegankelijkheid niet in het geding is. Experimenteel onderzoek in Canada toont echter aan dat sociale milieus verschillen in de informatie die men heeft over de waarde van diploma’s, en dat de voorhanden zijnde informatie van invloed is op verdere studieplannen. Is het zo dat kinderen uit lagere milieus minder bereidheid tonen om te lenen voor hun studie dan kinderen uit hogere milieus? En heeft dat te maken met de financiële hulpbronnen of de culturele hulpbronnen in het milieu van herkomst?

In 2004 heb ik met een groep studenten sociologie van de Universiteit van Amsterdam een enquêteonderzoek gedaan onder scholieren van de derde klas van het voortgezet onderwijs in Amsterdamse scholen. In dit onderzoek hebben we de vraag gesteld of men bereid is om geld te lenen voor de (vervolg-) studie. Van de ongeveer 600 ondervraagde leerlingen gaf 71 % aan bereid te zijn om geld te lenen voor een vervolgopleiding.

In dit blog ga ik aan de hand van dit databestand na of er sociale verschillen bestaan in de bereidheid om geld te lenen om de studie te bekostigen, en in welke mate deze sociale verschillen voortkomen uit mogelijke sociale verschillen in leerprestaties (citotoetsscore). De data zijn (voor een andere studie) eerder gebruikt in dit artikel in the British Journal of Sociology.

Als variabelen om sociale achtergrond te meten gebruik ik een indicator van cultureel kapitaal van de ouders (bestaande uit de tijd die ouders besteden aan het lezen van kranten en nieuwsbladen, literaire romans, literaire romans in een vreemde taal, en de frequentie van het bezoeken van museum, theater, en klassiek concert, eveneens van de ouders), en een indicator voor materiële bezittingen van de ouders (of de ouders het woonhuis in eigendom hebben, of de ouders een betaalde huishoudster in dienst hebben, of het kind een eigen kamer heeft, en of de ouders in het bezit zijn van een vakantiewoning). Beide variabelen zijn gestandaardiseerd met gemiddelde 0 en standaarddeviatie 1. Ook is leerlingen gevraagd naar hun citoscore, en indien deze niet kon worden ingevuld is leerlingen gevraagd naar hun leerprestaties in vergelijking met andere kinderen uit de klas. Van deze variabelen is een index gemaakt voor de zelfgerapporteerde citotoetsscore, en deze is wederom gestandaardiseerd op gemiddelde 0 en standaarddeviatie 1. In de modellen controleren we voor geslacht.

In bovenstaande tabel staan drie modellen: één met de twee sociale achtergrondvariabelen cultureel kapitaal en materieel bezit, en een tweede model met daarin opgenomen de citotoetsscore, en een derde model met ook het schooltype van de leerling. De zogenaamde odds ratio’s geven aan in hoeverre de kansverhouding op wel of geen leenbereidheid te tonen verandert met een verandering in de onafhankelijke variabelen.

In het model is te zien dat jongens en meisjes niet verschillen in hun leenbereidheid. Wel is er een sterk effect van cultureel kapitaal van de ouders,  met en zonder controle voor citotoetsscore en schooltype. Per standaarddeviatie cultureel kapitaal neemt de ‘odds’ van leenbereidheid toe met een factor 1.6. Materiële bezittingen van de ouders hebben geen significante invloed op leenbereidheid van leerlingen. Klaarblijkelijk zijn vooral culturele hulpbronnen, meer dan economische hulpbronnen, relevant voor de investering die men bereid is te maken in het onderwijs.

Grafisch kan de samenhang tussen cultureel kapitaal en leenbereidheid  worden weergegeven als in de volgende figuur. Dit is gedaan voor de hele groep leerlingen (zoals in model 2), en voor de groep havo- en vwo-leerlingen, voor wie het sociale leenstelsel primair bedoeld is (als men tenminste een vervolgopleiding gaat doen op hbo- of universitair niveau).

leencc

 

De samenhang is helder. Kinderen uit hogere milieus, zelfs met vergelijkbare leercapaciteiten en in hetzelfde schooltype, zijn in grotere mate bereid om te lenen voor hun studie dan kinderen uit lagere milieus. Wel is opvallend dat het sociale milieu vooral van belang is vanwege de culturele hulpbronnen die in het gezin aanwezig zijn, en niet zozeer de financiële hulpbronnen. Deze bevinding is in tegenspraak met het standaard economische model dat stelt dat bereidheid tot het nemen van risico’s beïnvloed wordt door de financiële buffers die men heeft. Eerder lijkt het zo te zijn dat de bereidheid om te investeren in scholing wordt bepaald door culturele factoren.

De beleidsvraag die uit deze analyse voortkomt is hoe kan worden voorkomen dat kinderen zich laten leiden door hun sociale milieu als het gaat om investeringsbeslissingen in het onderwijs. Gezien de Canadese resultaten (hierboven gelinkt) lijkt het er op dat een deel van de verklaring van sociaal milieu-effecten moet worden gezocht in de informatie die leerlingen van verschillende sociale milieus hebben over de waarde van diploma’s. Deze ‘waarde’, die zich uitstrekt van de arbeidsmarkt tot gezondheid, criminaliteit en politieke betrokkenheid, wordt ofwel niet door iedereen in gelijke mate gezien, ofwel niet door iedereen in gelijke mate gewaardeerd. Welk van deze twee verklaringen stand houdt lijkt me van cruciaal belang voor de legitimiteit van de beslissing om een sociaal leenstelsel in te voeren.