De zesjescultuur

Het Onderwijsverslag 2012-2013 van de Onderwijsinspectie toont maar weer eens aan dat de motivatie en betrokkenheid van Nederlandse leerlingen beperkt is, terwijl de prestaties internationaal gezien goed zijn. Een interessante paradox.

Leo Prick schrijft in het NRC-Handelsblad van 19 april dat leraren het in Nederland te leuk willen maken voor  hun leerlingen, maar dat ze daar niet in slagen. Dat is nog maar de vraag, want, zoals gezegd, de gemiddelde prestaties zijn prima, althans voor zover we dat kunnen nagaan in internationale metingen onder tweedeklassers (TIMSS) en vijftienjarigen (PISA). Misschien dat de leukigheid van Nederlandse lessen effectief is voor grote groepen leerlingen. Wel valt op dat de prestaties aan  de bovenkant niet goed zijn. Zelfs in ons systeem, waar we kinderen vroeg selecteren zodat ze zich volledig zouden kunnen ontplooien, weten we niet te bereiken dat de bovenkant excelleert.  Er is, inderdaad, een zesjescultuur.

Prestaties aan de bovenkant

En wat betreft die prestaties aan de bovenkant slaat Leo Prick de spijker op zijn kop. Er is namelijk voor Nederlandse leerlingen geen enkele reden om goed te presteren. Eindexamencijfers tellen niet of nauwelijks mee voor de toegang tot een vervolgopleiding. Universiteiten en hogescholen selecteren niet op examencijfers, en ontvangen alle studenten met open armen. Deze organisaties worden immers gefinancierd via de aantallen studenten die zij afleveren, dus de motivatie van universiteiten en hogescholen is om zoveel mogelijk studenten binnen te halen. En de overheid staat het ook niet toe dat universiteiten aanvullende selectiecriteria hanteren. Met als gevolg een heel scala aan experimenten met het bindend studieadvies na een jaar studie, een instrument waarmee hetzelfde resultaat wordt beoogd als met selectie aan de poort (studenten met de juiste motivatie binnenhouden, de rest uit de opleiding verwijderen), maar met een hogere kostenpost. Er zijn enkele uitzonderingen van opleidingen waar wel degelijk wordt geselecteerd op vooropleiding en/of talent, zoals bij geneeskunde en de kunsten, maar over de hele linie kunnen aankomende studenten min of meer kiezen wat ze willen, zonder verdere selectie. En het gebrek aan selectie gaat door tot in de masteropleiding; iedere student met een universitair bachelordiploma heeft wettelijk recht op toegang tot een aansluitende masteropleiding, zonder voorbehoud. Een wonderlijk staaltje toegankelijkheid.

Non-selectie in het hoger onderwijs

Deze non-selectie door universiteiten en hogescholen is internationaal gezien uitzonderlijk. Zelfs in welbekende egalitaire onderwijssystemen als Zweden en Finland selecteren universiteiten hun studenten op basis van examencijfers. Ook in Duitsland selecteren universiteiten op basis van cijfers en motivatie, terwijl ze daar net als wij een specifiek examen hebben voor instroom in  universiteiten (wij vwo, zij Abitur).

Leo Prick nagelt de spijker echter niet volledig het hout in. Prick stelt voor om het collegegeld vrij te stellen voor de beste studenten, in de verwachting dat daarmee de zesjescultuur ten einde komt. Maar dat is volgens mij niet een oplossing voor het probleem. Als men dan nog steeds kan instromen in elke gewenste opleiding op elke universiteit, dan zijn welbeschouwd vooral de ouders degenen die van vrijgestelde collegegelden profiteren. En of dat studenten harder doet lopen waag ik te betwijfelen. Het probleem zit hem volgens mij meer in het gebrek aan selectie als zodanig.

Wat we zien is dat er binnen het hoger onderwijs allemaal vormen van selectie worden ingevoerd, zoals honoursprogramma’s in de bachelor, selectieve ‘liberal arts colleges’ en selectieve onderzoeksmasteropleidingen. Ik heb (al enkele jaren) de hoop dat deze focus op ‘excellentie’ naar het voortgezet onderwijs zal doorsijpelen. Maar de eerste signalen zijn niet positief.