Hebben we al die masterdiploma’s nodig?

Volgens de hedendaagse beleidslogica, die met name wordt gevoed vanuit de economische wetenschap, moeten we zorgen dat steeds meer mensen hoger opgeleid raken, omdat dat de economische groei zou bevorderen. Deze logica lijkt ijzersterk en ligt ten grondslag aan het onderwijsbeleid in Europa en daarbuiten. Om maar eens iets te noemen: universiteiten en hogescholen worden gefinancierd op basis van het aantal behaalde diploma’s. En onderwijsrendement is een van de belangrijke statistieken om de kwaliteit van het onderwijs te bepalen.

Deze enorme drang tot onderwijsexpansie zou verstandig zijn om twee redenen, aldus het beleidsdiscours. Ten eerste werd onderwijsexpansie van oudsher vooral nagestreefd omdat het de sociale mobiliteit zou bevorderen. Onderwijs als kanaal van sociale stijging. Ten tweede, de hedendaagse beleidslogica stelt dat op de arbeidsmarkt creativiteit en innovatie worden aangewakkerd als gevolg van onderwijsexpansie. Als we het hebben over onderwijs en leerprestaties in het algemeen is er zeker wat te zeggen voor beide stellingnames. Maar ten aanzien van verdere expansie van mastergraden is er weinig reden tot optimisme.

Het sociale mobiliteitsargument

Als eerste het sociale mobiliteitsargument. De expansie van het secundair onderwijs is gepaard gegaan met een afname in de sociale ongelijkheid in deelname aan het onderwijs, zo stelt deze studie en deze. Echter, of dat ook betrekking heeft op de groei van hogere vormen van tertiair onderwijs, zoals de mastergraad, valt te betwijfelen. Sociologen stellen dat, met de expansie van het hoger onderwijs, nieuwe vormen van stratificatie ontstaan binnen het hoger onderwijs. Deelname aan het hoger onderwijs raakt met expansie weliswaar meer gelijkelijk verdeeld over sociale klassen, maar binnen het hoger onderwijs zijn sociale verschillen in de keuze voor hbo of universiteit stabiel, en ontstaan selectieve tracks die sociaal gezien vrij ongelijk verdeeld lijken te zijn (research master opleidingen, honours tracks, etcetera). Ten aanzien van masterdiploma’s kan bovendien worden gesteld dat degenen die voor een masterdiploma in aanmerking komen een erg homogene groep betreft (wat betreft leercapaciteiten). Onder homogene groepen bestaat minder ongelijkheid naar sociaal milieu dan onder heterogene groepen. Met meer expansie van het aantal mastergraden zal de variabiliteit tussen studenten toenemen, waardoor de sociale verschillen wel eens groter kunnen worden in plaats van kleiner. Maar dat is een methodologisch punt, dat de socioloog Robert Mare al in de jaren ’80 aanstipte.

Meer algemeen lijkt de hypothese hout te snijden dat, naarmate onderwijs expandeert, er nieuwe vormen van ongelijkheden ontstaan die de elite in staat stelt om de voorsprong voor hun kinderen te behouden.

Het arbeidsmarktargument

Het arbeidsmarktargument stelt dat hoger opgeleiden productiever, creatiever  en innovatiever zijn dan lager opgeleiden. Ook hiervoor geldt dat dat in het algemeen wel zo lijkt te zijn, maar niet evident als het gaat om de vergelijking van masters en bachelors. Twee economen, Hanushek en Wössmann, tonen aan dat vooral cognitieve leerprestaties van tieners positief samenhangen met economische groei, niet zozeer een groei in het gemiddelde opleidingsniveau in een land. Het is, vanuit economisch oogpunt, belangrijker om onze kinderen goed te laten leren rekenen en schrijven dan om ze zo hoog mogelijk te laten doorstromen op de universiteit.

Economen dragen twee stellingen aan die de economische logica onderbouwen: er is vraag naar hoger opgeleiden (ze vinden gemakkelijker een baan), en een hoge opleiding heeft rendement (hoger opgeleiden verdienen meer). Echter, wat deze logica vergeet is dat beide argumenten tegelijkertijd waar kunnen zijn en er toch inefficiënties kunnen bestaan ten aanzien van onderwijsverdelingen. Het is, volgens sociologen, belangrijk om een onderscheid te maken tussen voorziene en onvoorziene consequenties van rationeel handelen. Vanuit individueel perspectief (van de student) is het verstandig om zo hoog mogelijk opgeleid te raken. Immers, een werkgever heeft liever iemand met een mastergraad dan met een bachelorsgraad. Maar op samenlevingsniveau zien we dat er op deze manier een verdeling onstaat van onderwijskwalificaties die niet goed past bij de banen die men inneemt. Veel van de mastergraders bezetten banen waarvoor minder scholing nodig is dan een mastergraad.

Om te zien of er een mismatch bestaat, kunnen we te rade gaan bij de European Social Survey van 2004. Hierin is gevraagd hoeveel scholing men nodig heeft voor de baan die men heeft. Dit kan worden vergeleken met de werkelijke hoeveelheid scholing die men heeft, om zo uit te rekenen in welke mate men is ‘overschoold’ voor de functie. Hoewel de overscholingsliteratuur uit de economische wetenschap komt, wordt door economen tegenwoordig betwist  dat er zoiets bestaat als overscholing. Men kan wel in een baan terecht komen die onder het behaalde scholingsniveau ligt, maar dan heeft men gewoon een baan gevonden die bij de werkelijke vaardigheden past. Ik laat in het midden of overscholing wijst op een scholingsniveau boven de bezette functie, of op een scholingsniveau dat hoger is dan past bij de werkelijke vaardigheden, maar in beide gevallen kunnen we spreken van  inefficiënte scholing van de populatie.

We kunnen de gemiddelde mate van overscholing, uitgedrukt in jaren scholing bovenop het vereiste scholingsniveau voor de baan die men heeft, uitrekenen voor de bevolking van een groot aantal landen. Ik kijk alleen naar 25-45-jarigen. Het is zinnig om te bezien of er kenmerken zijn van onderwijsstelsels die overscholing aanmoedigen of juist belemmeren. Een van deze factoren is de omvang van het hoger secundaire beroepsonderwijs; mbo in Nederland. Als het beroepsonderwijs omvangrijker is, is het waarschijnlijk dat minder studenten naar hogere niveaus zullen doorstromen. Zij hebben immers al een waardevolle kwalificatie, die herkenbaar en weinig stigmatiserend is. In landen met een kleiner beroepsonderwijssysteem is het beroepsonderwijs minder geïnstitutionaliseerd, fungeert het beroepsonderwijs meer als ‘afvalputje’ met alle stigmatisering van dien, en bieden beroepsopleidingen minder perspectieven. In die landen zal de ‘rat race’ naar de bovenkant van het systeem sterker zijn, en zal de mismatch sterker zijn omdat iedereen zo hoog mogelijk gekwalificeerd wil raken, los van de vraag of men op dat niveau een baan kan vinden.

 Figuur 1: overscholing en totale scholing afgezet tegen de omvang van het beroepsonderwijssurplus_eduyrs_by_zvoc

In figuur 1 staat de mate van overscholing afgezet tegen de omvang van het hoger secundair beroepsonderwijs (als proportie van het hoger secundair onderwijs als geheel). In de linkerkant van deze figuur is helder te zien dat de mate van overscholing lager is naarmate het beroepsonderwijs omvangrijker is. Ook belangrijk is dat dit geen artefact is van een lagere mate van (totale) scholing in beroepsgerichte onderwijssystemen; aan de rechterkant van de figuur is te zien dat deze samenhang er niet is. Alleen met overscholing is er een verband. We kunnen de mate van overscholing ook afzonderlijk uitrekenen voor verschillende opleidingsniveaus. Voor Nederland hebben zowel universitair opgeleiden als hbo’ers gemiddeld genomen 2.3 jaar overscholing. Voor personen met een mbo, havo of vwo-opleiding bedraagt het 1.4 jaar, en voor mensen met lager secundair onderwijs of lager bedraagt het 0.9 jaar.

Al met al lijkt me de conclusie gerechtvaardigd dat de meerwaarde van een masterdiploma in veel gevallen twijfelachtig is. Voor de mensen zelf heeft een masterdiploma zeker meerwaarde, omdat werkgevers hen prefereren boven bachelorgeschoolden, ook al is het voor banen waar iemand met een bachelor prima geschoold is. Maar op samenlevingsniveau zitten we met allerlei inefficiënties die niet te rijmen zijn met het technologische vernuft dat volgens economen in dat ene jaar wordt aangewakkerd. Inzetten op het hoger onderwijs is verstandig, maar een bachelordiploma is voor veel banen meer dan voldoende. Dat studenten met een universitaire bachelordiploma het wettelijke recht hebben om een masteropleiding in te stromen, en dat universiteiten worden beloond per afgeleverd diploma, maakt het hoger onderwijs onnodig massaal, met kwaliteitsverlies tot gevolg. We kunnen beter het middelbaar en hoger beroepsonderwijs versterken, om zo de ‘rat race’ naar de bovenkant van het systeem te beperken.