Onderwijsongelijkheid verplaatst zich naar de latere schoolcarrière

In april jongstleden publiceerde de Inspectie van het Onderwijs haar jaarlijkse rapportage De staat van het onderwijs (Samenvatting). De bevindingen waren nogal schokkend: de ongelijkheid naar sociaal milieu in het basisschooladvies is de afgelopen jaren toegenomen, vooral nadat het schooladvies niet langer gebaseerd is op de Eindtoets basisonderwijs. Deze toenemende ongelijkheid hebben wij reeds voorspeld in oktober 2015, toen wij op basis van een aantal van onze onderzoeken concludeerden dat neutrale, objectieve informatie meer gelijkheid in het advies bewerkstelligt. (Een mooie animatie van Nieuwsuur over hoe ongelijkheid in het advies tot stand komt is hier te vinden). Neutrale toetsen verminderen de sociale ongelijkheid in de advisering, omdat betrokken en/of veeleisende ouders minder invloed hebben op de inschattng van de leerkracht. De eerste reactie van minister Bussemaker was dat leerkrachten vooroordelen hebben, en dat de positie van de eindtoets moet worden heroverwogen.

Recentelijk hebben Lex Borghans en Trudie Schils betoogd dat we niet te snel moeten concluderen dat de leerkracht bevooroordeeld is. Immers, het schooladvies is een betere voorspeller van een succesvolle schoolloopbaan in het voortgezet onderwijs dan de eindtoets. Dus, als de advisering ongelijker verdeeld is geraakt kan dat tegelijkertijd wel een beter advies zijn geweest, met minder afstroom van verkeerd geplaatste leerlingen gaandeweg de middelbare school. Dit lijkt me een verstandige analyse, maar schuift het probleem van ongelijke kansen niet van tafel.

Waarom wijkt het schooladvies af van de eindtoets?

De leerkracht kan in zijn/haar advisering rekening houden met kenmerken van het sociale milieu die bevorderlijk danwel beperkend werken voor succes in het VO, maar dat deze kenmerken doorslaggevend zijn is niet per sé rechtvaardig. Een mogelijke afwijking tussen het schooladvies en de centrale eindtoets kan voortkomen uit drie processen: (1) de school heeft een niet-rationeel vooroordeel ten opzichte van sommige leerlingen dat niets te maken heeft een leerbevorderlijk thuisklimaat (tegemoet komen aan veeleisende ouders, of een verkeerde inschatting van de mogelijkheden van achterstandskinderen vanwege hun milieu), (2) de leerkracht schat in dat de leerling met hoogopgeleide ouders een thuisklimaat heeft dat meer bevorderlijk is voor prestaties dan de leerling uit een achterstandsmilieu (bijvoorbeeld hulp bij huiswerk, stimulans), of (3) de eindtoets bevat een meetfout in de inschatting van de leercapaciteiten van een leerling en de leerkracht heeft andere informatie over de leercapaciteiten die toevallig samenhangen met sociaal of etnisch milieu. In de media gaat het vooral over het  niet-rationele argument van bevooroordeelde leerkrachten die onder druk staan van veeleisende ouders (1, zie de animatie van Nieuwsuur), terwijl de analyse van Borghans en Schils te verklaren valt door (2) en (3). Maar zijn de ongelijkheden die voortkomen uit deze, vanuit het oogpunt van de school rationele argumenten, rechtvaardig?

Langetermijn trends: toenemende meritocratisering aan het begin van de schoolloopbaan

Als we op de lange termijn kijken zien we dat de overgang van het primair onderwijs naar het voortgezet onderwijs steeds meritocratischer verloopt. Met wijlen Jaap Dronkers heb ik analyses gedaan op alle bestaande onderwijscohorten in Nederland, van leerlingen geboren vanaf de jaren ’40 tot in de jaren ’80, ten behoeve van de bundel “Meritocratie” (gratis te downloaden) van Paul de Beer en Maisha van Pinxteren. We onderzochten de schoolloopbaan van sociaal milieu naar prestaties (toetsscore), naar beginniveau van het voortgezet onderwijs, naar het bereikte eindniveau van scholing. In figuur 1 staan de trends in meritocratische paden in de onderwijsloopbaan. We zien dat met name de samenhang tussen toetsscore en beginniveau VO enorm sterk is toegenomen. De plaatsing gebeurt steeds meer op basis van leerprestaties. Ook de samenhang tussen opleiding van de ouders en prestaties neemt toe – volgens de klassieker van Michael Young (the rise of the meritocracy) een bewijs dat in de meritocractie sortering op basis van onderwijs reproduceert van ouders op kinderen.

Figuur1

boekpres_fig2

Figuur 2 toont de samenhang met vaders beroep – gecontroleerd voor de opleiding van de ouders een niet-meritocratische eigenschap. Het belang van vaders beroep neemt af, in lijn met de hypothese van toenemende meritocratisering. Dus het belang van het economische klimaat in het gezin neemt af, terwijl de opleiding van de ouders steeds belangrijker wordt – geheel in lijn met de voorspelling van Young.

Figuur 2

direct_focc_punt_plus_qfit

 

Reparatie van verloren voorsprong in latere schoolloopbaan

Wat we echter ook zien is dat de toenemende meritocratisering zich vooral voordoet in het begin van de schoolloopbaan, in de overgang van PO naar VO. En de toenemende meritocratisering betekent dat hoogopgeleide ouders andere kanalen moeten aanboren om hun kinderen gaandeweg de schoolloopbaan alsnog beter te positioneren. En we zien dat er dergelijke ‘reparaties van verloren voorsprong’ plaatsvinden in de latere schoolcarrière. Figuur 3 toont de directe en indirecte effecten van vaders opleiding op het eindniveau van scholing, en te zien is dat met name het directe effect, dat dus niet loopt via de toetscore en het instroomniveau in het VO, is toegenomen (de donkerblauwe lijn). Daar waar de overgang naar het VO steeds meritocratischer verloopt, zien we dat kinderen uit hogere milieus toch vaker hogere eindniveaus halen, zelfs bij gelijke toetsscores en instroomniveau VO. Er is daarmee een verschuiving opgetreden naar latere fases van de schoolloopbaan.

Figuur 3

boekpres_fig6b

 

De rol van ouders in het voortgezet onderwijs

Dus laten we even aannemen dat Borghans en Schils gelijk hebben en de sociaal gezien scheve advisering voortkomt uit overwegingen dat het wel goed komt met dat kind met hoogopgeleide ouders. Ouders blijven immers hun invloed aanwenden, ook in het voortgezet onderwijs. Ze kunnen hun kinderen achter de broek aan zitten, ze kunnen bijles inhuren. Als de basisschool dit bewust of onbewust mee laat wegen maakt maakt dat het probleem van ongelijke kansen niet minder urgent. Er gaat van het onderwijs een self-fulfilling prophecy uit, zodanig dat hoge verwachtingen kansen bevorderen. Als de kansengelijkheid in het voortgezet en hoger onderwijs verbetert, en achterstandskinderen de hulpbronnen aangereikt krijgen om succesvol te zijn op school, zal volgens deze redenatie het schooladvies niet langer beter voorspellend zijn voor succesvolle schoolloopbanen dan de eindtoets. Dat bevordert de gelijke kansen in de overgang naar het VO, en in de verdere schoolloopbaan.