Sociale ongelijkheid in de overgang van het basis- naar het voortgezet onderwijs

Wellicht de belangrijkste overgang in het Nederlandse onderwijsstelsel is die van de basisschool naar het voortgezet onderwijs (VO). Het schoolniveau waarin kinderen terecht komen is bepalend voor de verdere onderwijsloopbaan, en daarmee voor de verdere kansen in het leven. Kinderen die naar het vmbo gaan worden voorgesorteerd voor het mbo, om daarmee vakman of vakvrouw te worden. Kinderen die naar het havo gaan worden voorgesorteerd voor het hbo, en vwo’ers bereiden zich voor op een universitaire carrière. Hoewel het mogelijk is om tussentijds van het ene naar het andere traject over te stappen wordt met de sterker wordende banden tussen het vmbo en het mbo de meest belangrijke overgang nog deterministischer dan voorheen.

Zoals bekend is de citotoets een belangrijk criterium voor de plaatsing van leerlingen. Deze toets is met ingang van volgend jaar verlaat naar een tijdstip ná de aanmeldingsprocedure voor VO-scholen. Op die manier zal de toets minder doorslaggevend zijn voor het advies dat de leerkracht geeft. Leerkrachten vinden dit vaak een goede zaak; zij hebben de overtuiging dat zij, na acht jaar basisschool, beter in staat zijn om de leercapaciteiten van leerlingen te beoordelen dan een eenmalige toets in groep 8. Ik hoop van harte dat leerkrachten beter en meer systematisch naar de uitslagen van het leerlingvolgssysteem gaan kijken, gestandaardiseerde toetsgegevens die gaandeweg de basisschool zijn verzameld. Want onafhankelijke toetsen geven onafhankelijke informatie die essentieel is om bestaande vooroordelen ten aanzien van bepaalde sociale groepen (ook van leerkrachten) te neutraliseren. Immers, er zijn nu al aanzienlijke sociale verschillen in het advies dat de leerkracht van de basisschool geeft, zelfs onder kinderen die dezelfde citotoets  en dezelfde intelligentie hebben.

Sociale verschillen in advies?

In Nederland is een longitudinaal databestand beschikbaar, COOL5-18, waarin leerlingen in groep 5 een intelligentietoets afnemen, en van dezelfde leerlingen in groep 8 bekend is wat het schooladvies is van de leraar. Met deze data kunnen we de vraag beantwoorden of er, na controle voor het resultaat van de citotoets en intelligentie, nog steeds sociale verschillen zijn in het advies dat leerlingen krijgen, en hoe groot deze verschillen zijn. Let wel, dit databestand stelt ons (nog) niet in staat om de feitelijke keuze voor stroom in voortgezet onderwijs te onderzoeken, maar enkel het advies van de leraar van de basisschool die tevens degene is die de eindtoets basisonderwijs afneemt.

Het is voor deze exercitie onbelangrijk of sociaal milieu de oorzaak of het gevolg is van (pregenerationele) intelligentie. Deze data geven ons de mogelijkheid om de partiële regressiecoëfficiënten te berekenen voor (1) opleiding van de ouders, (2) de citotoets (eindtoets basisonderwijs), en (3) intelligentie/IQ. Ik toon twee verschillende analyses:

(A)  een decompositie van totale en indirecte effecten van opleiding van de ouders (indirect via CITO en IQ). Voor deze decompositieanalyse maak ik gebruik van de methode van Karlson, Holm & Breen, Sociological Methodology 2012.

(B)   Figuren resulterend  uit logistische regressiecoëfficiënten waarin alle variabelen zijn opgenomen.

(A) Totale en indirecte effecten van ouderlijke opleiding

In onderstaande tabel staan de resultaten. De effecten van de opleiding van de ouders worden sterk gereduceerd door de opname van IQ en de citotoets in het model, maar blijven nog wel bestaan. Het verschil in de log-odds op een havo/vwo advies versus een vmbo-advies tussen kinderen van ouders met een tertiair diploma, en ouders met een lager secundair onderwijsdiploma verschilt 4, leidend tot een odds ratio van 73 (wanneer niet wordt gecontroleerd voor IQ en CITO-score). Wanneer IQ en CITO aan het model worden toegevoegd zien we dat deze odds ratio verkleint van e^0.79=2.2. Dus, zelfs als kinderen dezelfde citoscore en IQ hebben, hebben kinderen van hoogopgeleide ouders een meer dan twee keer zo’n grote kans om een havo/vwo versus vmbo-advies te krijgen als kinderen van lager opgeleide ouders. Nogmaals, we hebben het alleen over het advies; vermoedelijk zijn de sociale verschillen in de feitelijke keuze nog groter.

khb_klein

(B)   Figuren resulterend  uit regressiecoëfficiënten waarin alle variabelen zijn opgenomen.

De logistische regressievergelijkingen kunnen worden samengevat in onderstaand figuur, waar op de x-as een gestandaardiseerde maat van IQ en citotoets wordt weergegeven, en op de y-as de voorspelde kans dat men een havo-vwo advies krijgt. De IQ- en cito-samenhangen worden weergegeven voor ouders met een tertiair diploma (hbo of universiteit) en ouders met minder dan lager secundair onderwijs. Allereerst blijkt dat advies sterk samenhangt met de citoscore; rond de gemiddelde cito score neemt de kans om een havo/vwo advies te krijgen enorm sterk toe. De samenhang met intelligentie (gecontroleerd voor citotoets) verloopt meer gradueel. Dat is niet verwonderlijk, omdat de citotoets een van de belangrijkste informatiebronnen is voor de leraar om tot zijn/haar advies te komen.

pp

Wat echter ook uit de figuur blijkt is dat onder kinderen met dezelfde cito-score, kinderen van hoger opgeleide ouders een grotere kans hebben om havo-vwo advies te krijgen. Die samenhang is het meest helder te zien in het midden van de cito-verdeling, zo rond de waarde 0 op de gestandaardiseerde schaal. Dus zelfs als we rekening houden met IQ en citoscore krijgen kinderen uit hogere milieus een hoger advies dan kinderen uit lagere milieus.

In de volgende figuur wordt iets vergelijkbaars getoond aan de hand van een meer gedifferentieerde score van advies, die door het GION in Groningen is ontwikkeld om te gebruiken als lineaire maat (waarin ook allerlei combinatie-adviezen een score krijgen, zoals havo/vmbo-theoretische leerweg, of vmbo-kader/vmbo-basis – ik neem de negatieve waarde van deze variabele zodat een hoge score een hoger advies betreft). Ook hierin blijkt dat onder kinderen met dezelfde cognitieve capaciteiten en leerprestaties, kinderen van hoger opgeleide ouders een hoger advies krijgen dan kinderen van lager opgeleide ouders.

pols

Conclusie

De essentie van de sociologische theorie over onderwijsongelijkheid is dat zelfs onder kinderen met gelijke IQ of leervaardigheden, kinderen uit hogere milieus in hogere tracks terecht komen dan kinderen uit lagere milieus. Deze zogenaamde secundaire effecten zijn sterk, en aangetoond in vele Westerse landen. Inzicht in de primaire en secundaire effecten is uitermate belangrijk voor beleidsdiscussies, omdat beleid gericht op het verminderen van primaire effecten een andere aard heeft dan beleid gericht op de eliminatie van secundaire effecten.

In deze blog vind ik bevestiging van het belang van secundaire effecten, ook in Nederland van vandaag de dag. De vraag is natuurlijk hoe dat komt, en of het onderwijsstelsel van invloed is op hoe secundaire effecten kunnen ontstaan. De sociologische theorievorming hierover is nog niet uitontwikkeld, maar een bruikbare ontwikkelingslijn lijkt me de notie dat sociale klassen verschillen in de mate waarin zij de gehele toekomstige onderwijsloopbaan kunnen overzien. Juist in systemen waar de selectie voor verdere onderwijsloopbaan vroeg plaatsvindt, moet men een langere loopbaan kunnen overzien. Dit werkt vermoedelijk ten nadele van achterstandsgroepen.

De vraag is hoe de sociale ongelijkheid er uit ziet als leraren beter en systematischer het leerlingvolgsysteem zullen gebruiken. Scholen zijn duidelijk bezig om deze slag te maken, maar tegelijkertijd is er te weinig expertise om op schoolniveau in kaart te brengen in hoeverre leraren neutraal adviseren.