Centrale toetsing: twee verschillende aspecten

Bij tijd en wijle wordt er heftig gedebatteerd over het gebruik van gestandaardiseerde toetsen in het onderwijs, bijvoorbeeld de Cito-toets op de basisschool, de rekentoetsen en centrale eindexamens. In dit debat worden doorgaans twee zaken niet goed gescheiden. Voor begrip van de pro’s en cons van centrale toetsing is het echter van belang om beide facetten van het toetsen afzonderlijk onder de loep te nemen.

Ten eerste dient toetsing voor de objectivering van de verdere keuzeprocessen in het onderwijs. Er is bijvoorbeeld informatie nodig voor leraren om advies te geven over welk schooltype leerlingen kunnen instromen, en voor scholen om te bepalen of men klaar is voor een vervolgopleiding. De informatie die een gecentraliseerde toets levert is objectief en neutraal; voorkeuren van leraren (en ouders!) spelen minder een rol dan wanneer leraren uitsluitend op hun eigen oordeel moeten afgaan. Veel docenten onderschrijven het belang van toetsen vanwege deze reden. Feitelijk zien we dan ook dat centrale toetsing de sociale ongelijkheid vermindert. Kinderen uit laagopgeleide milieus kunnen gemakkelijker stijgen als een centrale toets objectieve informatie verschaft, en minder getalenteerde kinderen uit hogere milieus komen niet ‘vanzelf’ op het vwo. Dit is een zeer belangrijk voordeel, zeker gezien het feit dat we met kinderen te maken hebben die niet zelf verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor hun vroege levensloop. Het is dan ook onbegrijpelijk dat de SP spreekt over de “toetsverslaving” van dit kabinet; haar achterban heeft er baat bij.

Een tweede kwestie rondom toetsen betreft de ‘accountability’ waaraan scholen via de resultaten op centrale toetsen worden onderworpen. Scholen moeten zich verantwoorden voor de prestaties van hun leerlingen, en centrale toetsen bieden een mogelijkheid om scholen onderling te vergelijken.

Een extreem voorbeeld van accountability is de Amerikaanse “No Child Left Behind act”, waar scholen directe financiële consequenties ondervinden van ondermaatse prestaties. Het lijkt erop dat accountability in combinatie met financiële consequenties strategisch gedrag van scholen in de hand werkt. Scholen proberen vooral leerlingen rondom de minimaal gestelde prestaties te verbeteren, en dan vooral op de ‘high stakes test’ die dient als peilstok. In Nederland zijn er geen financiële sancties, maar ook hier gaan scholen soms strategisch om met toetsen, bijvoorbeeld als moeilijk lerende kinderen de Cito-toets niet maken om zo het gemiddelde toetsresultaat op te fleuren. Dat het ministerie die praktijk wil aanpakken is positief.

Als we naar de Nederlandse discussie kijken, moeten we beseffen dat objectieve centraal aangestuurde toetsen de ongelijkheid beperken. Objectieve metingen zijn cruciaal, en leraren moeten en willen accepteren dat er externe partijen zijn die in zekere zin meekijken met de prestaties van hun leerlingen.

De kritiek op toetsen betreft echter vooral het accountability argument. Elke poging om scholen op een ranglijst te plaatsen op basis van citotoetsen of centrale examens gaat gepaard met heftige discussies met goede tegenargumenten. Sommige scholen doen het vooral goed omdat de kinderen uit hogere sociale milieus komen. Die compositiekwestie is niet goed op te lossen door wetenschappers. Beter was het om schooladvies te baseren op dynamische toetsen, afgenomen op diverse momenten tijdens de basisschool. Maar zelfs dan ‘groeien’ sommige kinderen meer dan andere deels vanwege niet-schoolse factoren.

Men zou in eerste instantie kunnen denken dat we dan wel centraal moeten toetsen maar de scholen niet moeten afrekenen op de prestaties van hun leerlingen. Dus wel neutrale informatie maar geen accountability. Maar waarom zou de overheid scholen niet verantwoordelijk mogen houden? En waarom mogen prestaties van scholen niet publiekelijk bekend worden gemaakt? Er gaan miljarden om in het onderwijs, is het dan niet logisch dat gebruikers, de belastingbetalers, weten hoe de school van hun kinderen er voor staat? En wat denken we van het meer principiële punt dat de Wet Openbaarheid van Bestuur – de wet die ervoor heeft gezorgd dat journalisten de prestaties van scholieren per school verkregen – een ontzettend belangrijk instrument is voor democratische controle in een rechtsstaat? Als er kennis bestaat in het ministerie over de prestaties van leerlingen in de verschillende scholen, waarom zouden ambtenaren en politici wel, en burgers niet over deze informatie mogen beschikken? Als er kennis bestaat over het functioneren van artsen willen we dat toch ook weten? Waarom dan niet van leraren?

Dan toch maar het leerlingvolgsysteem gebruiken, zowel voor schooladvies als accountability. En zorgen dat de bevolking in de breedte geïnformeerd raakt van de scores. En zorgen dat er geen financiële sancties worden opgelegd. Dan kunnen we de voordelen van centrale toetsen blijven zien zonder de onderwijsprofessionals in de kramp te laten schieten vanwege ranglijstjes.